The Band met ‘The Weight’

door Bill Mensema

Een van de beste dingen die ik ken, van alles wat er in deze wereld beschikbaar is, is de YouTube-clip van het nummer ‘The Weight’ van The Band, zoals het gespeeld wordt samen met The Staple Singers.

Het is een stukje uit de concertfilm ‘The Last Waltz’ van Martin Scorsese, eind november 1976 in Winterland, San Francisco opgenomen.

Voorheen was Winterland een schaatsring waar je op de begane grond kon schaatsen met je vriendinnetje of waar je op de balkons daarboven met elkaar kon zoenen. Zo ging dat in de jaren vijftig en ook nog een tijdje daarna, maar op den duur kwam de klad erin. Om het hoofd boven water te houden, besloot de eigenaar er een concertzaal van te maken. Dat pakte goed uit, zeker in San Francisco, waar Winterland vanaf het midden van de jaren zestig uitgroeide tot een van de meest hippe concertpodia in het land.
Alle grootheden traden er op. Iedereen wilde er spelen.
In 1976 streek The Band er neer voor hun definitieve afscheidsconcert, dat door Martin Scorsese op celluloid zou worden opgenomen. Zo gezegd, zo gedaan. Vervolgens moest Scorsese nog behoorlijk in het materiaal knippen en plakken voordat de film uiteindelijk in de bioscopen kon worden vertoond. In Nederland konden we ‘The Last Waltz’ in het voorjaar van 1978 zien.
Eerlijk gezegd kende ik The Band amper. Ik ging er vooral heen omdat mijn grote held Neil Young er een gastoptreden in had en je in die dagen nooit bewegende beelden van hem zag. In elk geval niet in Nederland.
Mijn vriendinnetje ging mee en zat naast me in de Groninger filmzaal City II. Zij hield mijn hand vast toen de film begon, met een lang shot van hippies en freaks die naast het Winterland gebouw stonden te wachten totdat ze de zaal naar binnen mochten. Er was er eentje die een hoge hoed droeg, zo’n tophat zoals die van Fred Astaire.
Het duurde maar even en het concert begon al.

Al snel vond ik de film geweldig. Net zoals ik een paar jaar eerder helemaal opging in de muziekfilm ‘Concert For Bangladesh’, toen nog in mijn eentje in de bioscoop in Delfzijl, was ik ook nu weer verrukt van wat ik zoal hoorde en zag op het grote scherm.
Steeds weer de vijf leden van The Band – Garth Hudson op orgel, Richard Manuel op piano, Rick Danko op bas, Robbie Robertson op gitaar en Levon Helm op drums – die op het mythische podium van de voormalige schaatszaal de belangrijkste liedjes uit hun carrière speelden met een keur van gasten, van Van Morrison tot Bob Dylan aan toe, maar ook Neil Diamond, Joni Mitchell en natuurlijk Neil Young. Het was een fascinerend schouwspel. Zo wist ik niet dat Neil zo verdomde lang was noch dat Joni Mitchell zulke brede tanden had.
Met nog steeds de hand van mijn vriendinnetje in de mijne zat ik op het puntje van mijn stoel, om zo maar niets te hoeven missen van wat er allemaal op het scherm te zien was.
Ik wilde die dag vooral Neil zien, en ik zag hem ook, en hij speelde ‘Helpless’, en dat was prima (hoewel ik dat altijd een zeiknummer heb gevonden). Maar wat mij tot mijn verbazing voornamelijk intrigeerde waren de vijf jongens van The Band. Hoe ze met elkaar speelden, met elkaar omgingen, elkaar steunden, hoe ze met elkaar zongen, hoe ze de muziek waren die ze maakten. Dat vond ik mooi.

Jarenlang zou ‘The Last Waltz’ een bitterzoete herinnering blijven. Er was punk en er was new wave en ik was van die tijd en ik knipte mijn haar kort en de hippies waren definitief voorbij.
Totdat ik tien jaar geleden de concertfilm van mijn laatste schoonmoeder op DVD cadeau kreeg. Mijn vriendinnetje van toen was er niet meer en mijn vrouw van nu had een hekel aan het langharige tuig van destijds, dus ik keek er in mijn eentje naar.
Al die jaren later merkte ik dat de film voor mij nog steeds draaide om die vijf jongens – om Garth, om Richard, om Rick, om Robbie, om Levon. Het ging natuurlijk ook om hun afscheid. Ondanks populaire en bonafide sterren als Dylan, Young en Mitchell waren deze vijf jongens de echte hoofdpersonen van de film. Maar wat me nu ook opviel was het natuurlijke gemak waarmee ze speelden, hun nabijheid tot elkaar, het onderlinge vertrouwen, en ook de bereidheid om de ander wat te gunnen.

Ik denk dat het dat is wat mij ook vandaag de dag nog – inmiddels eenenveertig jaar na de Winterland opname – het diepste treft wanneer ik naar The Band luister en naar The Band kijk. En ik ervaar dat allemaal in hoge mate in het clipje uit de film ‘The Last Waltz’ van hun nummer ‘The Weight’.
Het nummer is een klassieke Americana song, die ik op schertsende wijze geregeld de beste Dylan-compositie ooit noem. Evenwel was het niet Dylan die het nummer schreef, maar Robbie Robertson, die de band overigens ook The Band noemde.
Weliswaar was Robbie de drijvende kracht van de groep, maar hij had er nooit moeite mee om een stapje terug te doen, als dat beter was voor het geheel. Ook daarom ging Dylan geregeld met The Band op tour.

Het clipje van ‘The Weight’ begint met een kort stukje van Richard, met op zijn gezicht een ironische grijns die aangeeft dat je niet alles in het leven al te serieus moet nemen (ook al zou hij tien jaar na de opname van de film zichzelf van het leven beroven) om dan over te gaan naar drummer Levon die het eerste couplet zingt.
Daarna volgt het refrein, dat eigenlijk een canon is, met Rick en Robbie op respectievelijk tweede en derde stem.

Dan volgt een moment dat me telkens weer ontroert: dat is de knik van Robbie naar Mavis Staples, van The Staples Singers – een zwarte gospel en soul groep van een vader en zijn drie dochters. Mavis begint het tweede couplet te zingen. Daarbij zijn er steeds weer die instemmende knikjes van de drie zangeressen, zo van uhum, wat uitstraalt dat ze nu ook onderdeel zijn van het nummer, dat het een goede song is en – no worries – dat het allemaal goed gaat komen.
The Staples Singers zingen vanaf nu ook mee in het refrein, wat zoals het de eerste keer klinkt – alleen door de jongens van The Band uitgevoerd – al briljant genoeg is, maar door de inzet van de drie zangeressen zelfs nog een tandje hoger wordt gebracht. Intussen schuift de camera achter de zangeressen door naar Roebuck ‘Pops’ Staples, die het derde couplet voor zijn rekening neemt, met net zo’n fraaie Southern stem als die van Levon, maar dan wat heser.
Na het derde refrein is er een kort riedeltje piano en gitaar, waarna bassist Rick Danko in het licht stapt om het ‘Crazy Chester’ couplet te zingen. Het gaat met de gebruikelijke bravoure gepaard waar hij om bekend staat, maar nu is hij nog losser dan normaal, zodat je je even afvraagt of hij de bas nog goed kan spelen met al dat fysieke misbaar.
Op zestienjarige leeftijd zag ik er net zo uit als Rick: fris, jongensachtig, met lang maar niet al te lang haar. Nu ben ik zevenenvijftig, net zo oud als Rick uiteindelijk is geworden, die in 1999 aan een hartstilstand in zijn slaap overleed.
Een echte solo is er ook, eentje van Robbie op gitaar, maar dat is er eentje van korte duur. Want daar is opnieuw die knik van hem, nu naar Rick die naast hem staat, waarop die samen met Levon het vijfde couplet inzet.
Er is een heel kort stukje van Garth op het orgel, waarin hij zo’n onmiskenbare zwaai in de harmonie geeft, als een glijbaan. Soms hoor je zijn orgel niet eens, maar je weet dat je het mist zodra het er niet is.
Laatst zag ik beelden van Garth anno 2015. Ik meen dat het in een documentaire was waarin hij samen met de filmmaker het oude huis van The Big Pink bezocht, waar The Band in 1968 een legendarisch, naar het huis vernoemd album schreef en opnam. Zijn geest functioneert nog prima, maar Garth kampt met zijn gezondheid. Hij is een oude man geworden, al bijna tachtig op dat moment, bij wie de botten in het lijf in elkaar gestort lijken te zijn. Het is een naar gezicht om hem zo door het huis te zien strompelen.

Maar ik snap ook wel dat dat het leven is, dat de beelden die ik nu nog steeds zie van ‘The Last Waltz’ filmbeelden zijn van eind 1976, van toen de jongens van The Band eigenlijk al mannen waren, maar met een gemiddelde leeftijd van zesendertig ook nog wel jongens mochten worden genoemd.

De beelden van toen zijn niet meer de beelden van nu.

De twee die het langste hun good looks zouden behouden waren drummer Levon en gitarist Robbie, maar zij waren ook degenen tussen wie na de break-up in 1976 grote animositeit ontstond, vanwege compositierechten die Robbie niet met de anderen wilde delen. Jarenlang spraken de twee niet meer met elkaar, maar toen Levon in 2012 op zijn sterfbed kwam te liggen – als gevolg van de terugkeer van een eerder bedwongen keelkanker – verscheen Robbie te elfder ure. Om toch nog een laatste maal bij Levon te kunnen zijn. Om nog één keer naast zijn oude makker te staan. Om er voor Levon te zijn.
Maar ook om dingen uit te praten. Want ergens wist Robbie het nog wel: in The Band zorg je voor elkaar, je steunt elkaar, je pakt op wat de ander vergeet en je gunt elkaar wat.
Toen Robbie die avond uit het ziekenhuis vertrok, draaide hij zich op het laatst nog om en gaf hij Levon een knikje. Levon grijnsde en gaf een knikje terug.
Vier dagen later overleed hij alsnog.

Auteur

Bill Mensema (Delfzijl, 1960) schrijft romans. Boeken als ‘Boem’, ‘Fietsen met Bob Dylan’ en de verzameling muziekverhalen ‘Rock 7’ verschenen bij Uitgeverij Passage en werden met lof ontvangen door de pers. Ook publiceert hij verhalen over muziek op zijn eigen online uitgeverij Rock Ink. Voor TakeRoot haalt hij herinneringen op aan muziek die hem heeft geraakt.